Provocatieve pedagogiek

Provocatie: ‘Uitlokken tot een reactie’.

Het onderwijs kun je karakteriseren met een grondgedachte, de geest van het onderwijs. Onderwijsvernieuwingen moeten geplaatst worden in die tijdsgeest. Velen zullen die grondgedachten herkennen die elkaar opvolgden: individuele ontplooiing, daarna gelijke rechten. De tegenwoordige tijd kun je beschrijven als ‘excellentie’. Het onderwijs moet steeds beter. Excellentie, vandaar: de leraar van het jaar, excellente scholen. Vandaar ook het streven ‘alles eruit halen wat erin zit’ waarmee volgens mij eigenlijk bedoeld wordt: ‘zo hoog mogelijk onderwijs’ voor elk kind. Daar komt wel protest tegen: VMBO is op een andere manier te waarderen en er wordt gepleit dat dit onderwijs nu ‘praktisch’ genoemd wordt tegenover ‘theoretisch’. Intussen werkt de geest van excellentie nog door en dat heeft gevolgen voor het werken. Ben je als school excellent? Dat moet blijken uit controles: hebben we alle protocollen goed uitgewerkt, houden we de ontwikkeling van de leerlingen goed in de gaten en leggen we dat vast? En…. als een leraar of leerkracht of begeleider ‘Help’ roept, is dat dan wel terecht? Graag onderbouwen met bewijzen dat je alles gedaan hebt wat in je vermogen lag. En als je als (intern) begeleider niet kunt aantonen dat je ‘help’ terecht is, kan je hulproep afgeserveerd worden met ‘dat hoort bij de basisondersteuning’. Het hulpgeroep is aanstellerij? Anders gezegd: ‘Zoek het zelf maar uit’ of ‘Je moet het zelf maar uitzoeken.’

Al die regels en protocollen, bedoeld om grip te houden op het proces en de (cognitieve) resultaten worden als knellend ervaren. Goede begeleiders hebben die protocollen helemaal niet nodig en de zwakkeren vinden wel een weg om langs de mazen van de wet c.q. protocollen heen te werken. En dat heeft weer als gevolg dat de controle strenger wordt en de werkdruk nog hoger wordt en overbelasting dreigt.

Een neveneffect van die hoge werkdruk en regelziekte in het onderwijs is het dalen van de aantrekkingskracht van het beroep. Zeker in het basisonderwijs heerst er een tekort aan leerkrachten. Er zijn nauwelijks invallers te krijgen en de begeleiders worden voor de klas gezet. Werk blijft daardoor liggen of klassen worden opgedeeld of naar huis gestuurd. Vacatures kunnen door de schaarste aan bevoegde leerkrachten steeds moeilijker ingevuld worden. De werkdruk stijgt daardoor meer en meer. Vanuit de noodgedachte ‘als er maar iemand voor een klas staat’ komen er opleidingen van een jaar. Na dat jaar ben je bevoegd. Intern begeleiders proberen die nieuwe collega’s, ook zij-instromers, zoveel mogelijk te ondersteunen, maar het kost meer tijd en het imago van de leerkracht daalt. De ondersteuning van de ‘zittende’ leerkrachten moet helaas op een lager pitje.

Onderwijsgevenden protesteren: de werkdruk moet omlaag en het salaris omhoog. We zetten de politiek voor het blok: er moet meer geld komen! In 2005/ 2006 is voor het onderwijs de zogenaamde lumpsum financiering ingevoerd. Schoolbesturen kregen een grote mate van vrijheid om de ontvangen gelden te besteden aan doelen die ze belangrijk vonden. Hoeveel geld er werd/wordt besteed aan personeel is geen zaak voor de overheid, maar wordt bepaald bij het vaststellen van de cao. Het overleg tussen besturen en vakbonden is dus verantwoordelijk voor het verdelen van gelden.
Natuurlijk hebben besturen meer verantwoordelijkheden gekregen en dat kost geld. En wanneer het budget krap is en de schoolgebouwen door achterstallig onderhoud beginnen af te brokkelen is het logisch dat schoolbesturen daar geld in willen steken.
 

Maar, in principe is het salaris van leerkrachten, begeleiders, leraren enz. een zaak voor besturen en vakbonden, niet voor de overheid. En toch staken we en vragen aan de overheid meer geld. Veel besturen staan achter de staking en dat valt in het licht van bovenstaande te snappen.
 

Zijn de mensen op de werkvloer wel kritisch genoeg? Gebruiken we onze invloed via MR en GMR om begrotingen van besturen en scholen goed te keuren? Vinden we dat de juiste keuzes worden gemaakt? En welke invloed heeft het personeel op het tot stand komen van de cao’s?
 

We zijn blij als er iets meer geld komt om de werkdruk te verlagen: een mogelijkheid die ‘we’ zelf mogen invullen. Bijvoorbeeld meer handen in de klas of een extra personeelslid ter ondersteuning. Maar hoe die werkdruk tot stand komt wordt nauwelijks bekeken. We willen meer handen om de huidige werkdruk over meer mensen te verdelen. Maar of die werkdruk terecht is (het streven naar excellentie, meer controle, protocollen en bewijzen) wordt veel minder vaak in discussie gebracht. Blijkbaar wordt geaccepteerd dat de eisen om ‘excellent’ of minstens ‘goed’ te zijn, terecht zijn en dit voor het welzijn van onze leerlingen noodzakelijk is.
 

Begeleiders zijn in een team de kritische luizen in de pels. Te verwachten is dat zij een breder beeld hebben van de ontwikkelingen in de onderwijswereld.
Willen we naast de onderwijsvernieuwingen die de onderwijswereld overspoelen nu eigenlijk
- coöperatief leren
- handelingsgericht werken
- inclusief onderwijs
- het nieuwe leren
- natuurlijk leren
- ontwikkelingsgericht onderwijs
- opbrengstgericht onderwijs
- probleemgestuurd onderwijs
- Steve Jobsscholen

Zijn al deze stromingen effectief? Zij ze getoetst op werkbaarheid of klinken ze alleen logisch? Kloppen de uitgangspunten als ‘leerlingen moeten generieke vaardigheden leren en kennis kunnen ze dan opzoeken’? Is samenwerken, kritische houding aannemen, verbanden leggen wel mogelijk zonder een gedegen basiskennis? Wanneer kennisoverdracht niet de basis vormt en samenwerken niet systematisch in stappen wordt aangeleerd, wanneer er bovendien door te veel individuele leerlijnen geen of minder aandacht wordt besteed aan de relatie leraar – leerling, verarmt het onderwijs. De begeleider(s) op en rond de school zijn bij uitstek de spil bij het kritisch bekijken of een vernieuwingsgedachte brengt wat beweerd wordt, maar ook bij het opletten of bestaande goede elementen in het ‘oude’ systeem bewaard moeten worden.


En verder kan natuurlijk genoemd worden:
- Expliciete Directe Instructie
- Transactionele pedagogiek
- Pedagogische tact
- En… u kunt het vast aanvullen

Het is een van de taken van een intern of ambulant begeleider, een beeldbegeleider of gedragsspecialist of jonge-kind-specialist om te onderzoeken en samen met het team te bespreken of ‘dit nu is wat wij als team willen’. Ik noem dat ‘bewustmaking of wij zo school willen zijn’, het onderzoeken wat nu echt verplicht is en wie wat beslist. Provocatief. Dat is niet dwars zijn, maar wel zeer kritisch zijn. Doen we als team wat we vonden dat goed is om te doen. En als we protesteren:  prima, maar tegen wie en wat en accepteren we ‘pleisters op de wonden’ zonder dat er vanuit pedagogisch oogpunt iets verandert. Excellentie, willen we dat? En is excellentie ‘minder vmbo adviezen’?

Ja, maar de inspectie… of het samenwerkingsverband…. of het bestuur…

De begeleider kent de echte eisen en weet of die eisen terecht zijn. En die begeleider staat voor het kind en de leraar/ de leerkracht. Niet voor een systeem.


Peter Mol
Bestuurslid LBBO

Tevens auteur van het eind 2018 te verwachten boek:
‘Beginselen van de  provocatiepedagogiek, herstel van schade door onderwijsvernieuwingen, van anders naar beter, de docent eindelijk centraal’.